Apport te land (C)

 

1. De hond moet, zonder halsband of lijn, een, in overzichtelijk terrein, weggeworpen wild konijn apporteren.

2. De voorjager mag tijdens de uitvoering van de proef de hem aangewezen plaats niet verlaten.

3. De hond moet het konijn binnen handbereik van de voorjager brengen.

4. De Werper dient het konijn zo ver mogelijk van zich weg te werpen, doch op een zodanige plaats dat het konijn op ongeveer 25 meter van de hond terechtkomt.

5. De valplaats dient zodanig te worden gekozen dat de hond vanaf de positie bij de voorjager het konijn kan zien liggen.

6. De hond mag in opdracht van de keurmeester, na één seconde, nadat het konijn gevallen is worden uitgestuurd om te apporteren.

7. Een konijn mag bij deze proef meerdere malen door verschillende honden worden gebruikt.

Beoordeling:

Algemeen

  • De hond die onhoudbaar inspringt of aangelijnd wordt voorgejaagd kan maximaal een 8 krijgen.
  • De hond die bij het inspringen binnen 5 meter vanaf de plaats van de voorjager wordt gestopt is niet onhoudbaar ingesprongen.
  • Het beoordelen van de wil tot apporteren en de wijze van uitvoering staat centraal.

Voldoende

De proef is voldoende afgelegd door de hond, die het konijn opneemt en naar zijn voorjager brengt, ongeacht of hij tijdens het werpen aangelijnd of onaangelijnd was, of hij inspringt of verpakt, of hij zittend of staande afgeeft. Volmaakt: De proef is volmaakt afgelegd door de hond, die onaangelijnd naast zijn voorjager zit en geen aandacht van hem vergt, niet inspringt, het commando tot apporteren afwacht, snel naar het konijn gaat, en een “model apport” uitvoert.