Apport uit diep water (C)

 

1. De hond moet, zonder halsband of lijn, een in overzichtelijk, diep water geworpen wilde eend apporteren.

2. De eend moet op een zodanige plaats in het water worden geworpen, dat de hond om de eend te bereiken, moet zwemmen.

3. De valplaats dient zodanig te worden gekozen, dat de hond, vanaf de positie bij de voorjager, de eend kan zien liggen.

4. Tijdens het werpen van de eend wordt een schot gelost. Werper en geweer blijven gedurende de hele proef op hun plaats staan. Het schot wordt afgegeven op het moment dat de eend op het hoogste punt is.

5. De keurmeester zal de voorjager de plaats wijzen waar vandaan hij zijn hond moet inzetten en waar naar toe de hond de eend moet brengen. Deze plaats zal zodanig worden gekozen dat zij ongeveer drie meter, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, uit de waterkant ligt.

6. De hond mag in opdracht van de keurmeester, na één seconde, nadat de eend gevallen is, worden uitgestuurd om te apporteren.

Beoordeling:

Algemeen

  • De hond die onhoudbaar inspringt of aangelijnd wordt voorgebracht kan maximaal een 8 krijgen.
  • De hond die vóór de waterkant na ingesprongen te zijn, kan worden gestopt is niet onhoudbaar ingesprongen.
  • De voorjager mag de hond voor een voldoende uitvoering maximaal drie maal de opdracht geven om te water te gaan. Hij mag de hond als deze zonder eend uit het water terugkeert nog éénmaal inzetten.

Voldoende

De proef is voldoende afgelegd door de hond, die de eend aanneemt en naar zijn voorjager brengt, ongeacht of hij tijdens het werpen aangelijnd of onaangelijnd was, of hij inspringt, verpakt, zich uitschudt of hij zittend of staande afgeeft.

Volmaakt

De proef is volmaakt afgelegd door de hond, die onaangelijnd naast zijn voorjager zit en geen aandacht van hem vergt, niet inspringt, het commando tot apporteren afwacht, daarna onmiddellijk te water gaat, snel naar de eend zwemt en een “model apport” uitvoert.