Markeren

Het reglement van jachthonden-proeven (uitgegeven door ORWEJA = Organisatie tot Regeling van het Wedstrijdwezen voor Jachthonden) zegt er het volgende over:

De hond moet een voor hem zichtbaar weggeworpen stuk wild (dummy) apporteren.

Verder behandelt het reglement nog diverse onderdelen hoe de proef verder uitgezet dient te worden en hoe deze beoordeelt moet worden, daarover later meer.

Het goed markeren, zoals dat op de proeven verlangt wordt, kan pas mee gestart worden als de hond een goed basisappèl heeft. Natuurlijk is het wel zo dat men met een jonge hond moet beginnen, om dit optimaal uit te kunnen werken tot een goede markeerder.

Tijdens het oefenen (lees: trainen) gebruiken we in eerste instantie altijd wind van opzij. In een enkel geval kunnen we de windrichting veranderen door bijvoorbeeld te zorgen dat de wind in de rug is, maar ga nooit oefenen met de wind in het gezicht. Het effect van oefenen met de wind in het gezicht is dat de hond het wild (of dummy) te snel ruikt en dat daardoor het effect van het markeren verloren gaat. Ik ben me er van bewust dat men tijdens een jacht niet kan bepalen waar de wind vandaan komt, op het moment dat een eend geschoten wordt. Daarom spreek ik hier dan ook over oefen-situaties, waarbij we het markeren dienen te ontplooien en verder te ontwikkelen totdat de hond een goede markeer apporteur is.

Om het trainen van het markeren te vereenvoudigen, oefen ik met mijn cursisten in eerste instantie met witte dummy’s. Ik gebruik hiervoor gewone groene dummy’s, waarover ik een witte sok doe. Het voordeel hiervan is dat de hond de witte dummy’s beter herkent tegen de groene grasmat. Ook is het voordeel van deze sokken dat ze makkelijk gewassen kunnen worden. Aan de andere kant is het dat deze witte dummy’s na verloop van tijd toch wel vies worden, waardoor ze de eigenlijk “kleur” weer gaan aannemen. Ondertussen heeft de hond beter geleerd te markeren.

Zorg dat er bij het oefenen altijd een helper aanwezig is die de dummy kan opgooien. Het nadeel van het werken zonder helper is dat men altijd ongeveer de zelfde afstand gooit. De helper dient op ongeveer 60 meter te gaan staan (volgens het reglement) en de aandacht van de hond te vragen (door bijv. prrrt). Oefen in eerste instantie op een gemaaid gazon en verander dit langzaam tot een vrij ruig terrein. Een hei voldoet meestal prima. Het reglement zegt hierover dat de hond wel het wild ziet vallen, maar niet ziet liggen. Laat de helper loodrecht gooien op de richting die de hond uitgaat(= haaks), en tegen de wind in. Laat die helper ook diverse afstanden nemen. Daarmee wil ik zeggen dat men niet altijd op die 60 meter moet oefenen, maar ook eens op 80 meter, of 100 meter of zelfs 120 meter, maar ook eens op 10, 30 of 40 meter. Hierdoor leert de hond dan beter markeren en onthouden, omdat het niet altijd voor hem op dezelfde afstand ligt. Gebruikt men verschillende afstanden op een trainingsavond (of trainingsveld) dan is het belangrijk dat de valplaats steeds dezelfde is. De voorjager en de hond moeten zich dan (om de afstand te vergroten) verder verwijderen van de werper c.q. valplaats. Met andere woorden: We gaan steeds verder van die zelfde valplaats afstaan.

Als de hond het markeren goed (lees:perfect) onder de knie begint te krijgen kunnen we het geheugen van de hond op de proef stellen, door de wachttijd tussen het vallen van het wild en het mogen apporteren, te vergroten. Tevens kunnen we zijn geheugen op de proef stellen door ook dubbele apporten en drie-dubbele apporten uit te voeren. Als de hond goed kan markeren, laat dan ook eens de helper weglopen van de valplaats nadat het wild (dummy) gevallen is; hiermee kunnen we constateren of de hond de valplaats goed gemarkeerd heeft, of de plaats waar de helper staat. We zien nogal eens dat de hond naar de richting van de werper loopt en dan denkt: Hier bij die vent in het veld ligt meestal het wild (of dummy). Toch zegt het reglement hierover dat diegene die werpt en diegene die het schot lost tijdens de gehele proef op hun plaats moeten blijven staan. Door de wachttijd tussen het vallen van het wild (dummy) en het mogen apporteren te verlengen kunnen we het geheugen van de hond uitbreiden. Het reglement zegt hier weer over dat de hond pas mag worden weggezonden na een teken van de keurmeester, wat na ongeveer 3 seconde zal zijn.

Het gebruik van schot (dummy-launcher).

Het gebruik van de dummy-launcher dient met omzichtigheid te geschieden. Veel honden zijn heel alert op het schot en willen dan ook als het schot valt direct het wild (dummy) ophalen. Het gevaar bij een veelvuldig gebruik van de dummy-launcher is dat de hond op den duur gaat inspringen. Om dit te voorkomen kan men de dummy weggooien, onder het geluid van een schot, en deze dan zelf ophalen. Ik raad mijn cursisten aan dit zeker minimaal fifty-fifty te doen. Over het inspringen zegt het reglement dat de hond die onhoudbaar inspringt, de proef onvoldoende heeft afgelegd.

Als de hond op de valplaats aangekomen is mag hij alleen op de valplaats de dummy zoeken. Op deze valplaats mogen er geen commando’s gegeven worden, wordt dit toch gedaan dan is de proef onvoldoende. Wel mag, als de hond op de terug weg is, enkele commando’s gegeven worden; dit kost natuurlijk wel punten. De valplaats wordt meestal weergegeven, afhankelijk van de omstandigheden, als een cirkel met een diameter van ongeveer 5 meter op plaats waar het wild ligt. Het reglement zegt hier weer over dat de hond die het wild (dummy) vrij verloren zoekt, de proef onvoldoende heeft afgelegd. Mocht de hond tijdens het trainen het wild (dummy) aan het zoeken zijn, dan moet door de helper ingegrepen worden, door het wild (dummy) weg te halen. Doen we dit niet dan gaat de hond te veel op zijn neus vertrouwen, waardoor het effect van markeren verloren gaat. Bij het markeren moet de hond het dus duidelijk van zijn gezichtsvermogen (ogen) hebben.

Het reglement noemt verder voldoende, die hond, die door de juiste richting aan te houden, of die door doelbewust de juiste richting te herstellen, blijkt geeft de valplaats onthouden te hebben, en zonder aanwijzigingen binnen een van te voren vastgestelde tijd, afhankelijk van plaats en omstandigheden, het wild (dummy) apporteert, ongeacht of hij tijdens het werpen aangelijnd of onaangelijnd was, of verpakt of hij zittend of staande afgeeft.

Het volmaakte in deze is natuurlijk duidelijk als de hond in een rechte lijn naar het wild (dummy) gaat deze oppakt en deze ter hand stelt van de voorjager.

Verder valt het me nogal eens op dat voorjagers uitgebreid op hun hond gaan letten tijdens deze proef, om vast te kunnen stellen of deze wel kijkt naar wat er gebeuren gaat. Vaak heeft dat het effect dat de hond dan naar boven kijkt naar de baas; meestal is dat het moment waarop het wild (dummy) valt. De hond heeft dan ook niet gemarkeerd. Ook raad ik een ieder aan om als het enigszins kan links van de keurmeester te gaan staan. Het voordeel hierbij is dan dat de hond minder afgeleid wordt door bewegingen van de keurmeester.

Verder dient men in de gaten de houden bij een hond die perfect markeert en die het ook perfect terug brengt, maar die steeds in een boog naar de valplaats loopt en die ook in een boog terug komt naar de voorjager. Deze hond zal dan beoordeelt moeten worden op PRA en cateract.

De hierboven beschreven bevindeningen kunnen reacties losmaken. Ik heb namelijk op papier gezet wat ik vind wat er bij een (markeer) apport komt kijken. Natuurlijk zullen er andere meningen zijn over het geheel en zullen door mij zeker gerespecteerd worden. Toch hoor ik het graag als men het met bepaalde standpunt niet eens is, want ook ik wil leren.