Steadiness

Wat is steadiness?

In Wolter’s Engels/Nederlands woordenboek staat het woord “steady” omschreven als o.a.: kalm, evenwichtig, bestendig, oppassend, solide, standvastig. In de jachthondenwereld wordt dit vertaald naar de hond als: rustig, geen aandacht van de voorjager vragen en goed opletten. Waarbij de hond ten alle tijde inzetbaar is. Echter in de praktijk schort het hier nogal eens aan. Men ziet honden onrustig om de voorjager heen draaien, sommige honden gaan staan en lopen een stukje naar voor, anderen maken constant de beweging weg te willen gaan enz…. Dit heeft tot gevolg dat de voorjager constant op de hond let. Daardoor kan de voorjager zelf niet meemarkeren. Wanneer men dan aan de beurt is en de hond heeft niet goed gemarkeerd kan de voorjager niet helpen omdat hij alle aandacht bij de hond nodig had en niet kon meemarkeren.

In veel gevallen is men zelf de schuld van de slechte steadiness. Geen vertrouwen in de hond of een verkeerde opbouw zijn hierbij de belangrijkste oorzaken. Wanneer men geen vertrouwen in de hond heeft, houdt men alle aandacht bij de hond wanneer er een apport valt. Met veel verbale druk probeert men de hond te houden. Na verloop van tijd is dit gewoonte geworden voor de hond en als men het niet doet wordt de kans erg groot dat hij zal inspringen. Een verkeerde opbouw kan onervarenheid als oorzaak hebben.

Begin van de training.

Door onwetendheid beginnen veel beginnende voorjager pas tijdens de eerste les van de jachthondentraining met de steadinesstraining. Simpelweg omdat men voor die tijd nog nooit van steadiness had gehoord. Jammer genoeg is dan al bij veel honden een belangrijke periode (7 tot 16 weken) voorbij. Steadiness is iets waar men al heel jong mee kan beginnen. Daardoor legt men een goede basis voor later.

Als men de pup rond de 7 weken ophaalt laat de pup dan de eerste paar dagen wennen aan zijn nieuwe omgeving en roedelgenoten. Na een dag of 4 gaat men samen met de pup achter het huis beginnen met de eerste “training”. Zorg dat de pup daar al een paar keer is geweest en alles al heeft onderzocht. Na enige tijd pakt men een tennisballetje en gaat ermee stuiteren. De meeste pups zullen daar meteen belangstelling voor hebben. Ga vervolgens door de knieën en neem de pup bij je. Rol het tennisballetje een klein stukje (2 meter) weg. Houdt de pup tegen door de hand voor de borst van de pup te houden. De meeste pups zullen achter het balletje aan willen en daardoor tegen je hand duwen. Wanneer hij dat doet, duw ik hem even terug zodat hij vrij is van mijn hand. Pas dan laat ik hem gaan en geef daarbij het “apport” commando. Hou tevens je arm in de richting van het balletje. Zodat de pup langs je arm in de richting van het balletje loopt. Dat had de pup toch wel gedaan, maar nu leert hij ongemerkt dat de arm de richting aangeeft waar wij hem heen willen hebben.

Alvorens het commando “apport” te geven noem ik eerst zijn naam. Door eerst zijn naam te noemen leert de hond dat het commando wat wordt gegeven voor hém bedoeld is. Wat weer belangrijk is als men met meerdere honden bij elkaar traint.

Na enkele dagen mag de pup pas gaan als hij niet meer met zijn borst tegen mijn hand duwt. Wanneer de pup dit doorheeft is men al een heel eind op de goede weg. Geef eerst het commando, pas daarna mag de hond gaan! Doe deze oefening niet te vaak achter elkaar. Doet men dit toch is de kans groot dat de pup de interesse verliest. Als hij het balletje heeft kan men een tweede tennisballetje pakken en daarmee gaan stuiteren om de pup weer bij ons te krijgen.

Een kleine stap verder.

De volgende stap is de pup te laten zitten. Vervolgens wederom de hand voor zijn borst. Als hij toch tegen onze hand duwt betekent dit dat hij met zijn achterkant omhoog komt. Dit kan men corrigeren door de pup met lichte druk tegen de borst terug te duwen in de zit positie. Blijft de pup tegen je hand duwen, laat dan iemand de pup vasthouden en haal zelf het tennisballetje. Dit houdt tevens in dat de hond de eerder beschreven oefening nog niet goed beheerst! Let goed op dat de pup nu niet het balletje te pakken krijgt. Want zijn duwen tegen je hand betekent dat hij graag het balletje wil pakken. Krijgt hij dat succes zal hij leren vaker en harder tegen je hand te duwen.

Gaat de opbouw goed zal men merken dat de hond leert wat er van hem verwacht wordt. De beloning van het wachten is dat hij mag apporteren. Tijdens het wachten mag men best de hond belonend toespreken. Zo leert de hond dat dit het gedrag is wat wij graag willen.

De volgende stap.

Neem een schoudertas met daarin een dummy. Ga naar een rustig terrein en laat de hond naast je zitten. Geef het “blijf” commando, eventueel met handgebaar, en ga vervolgens vóór de hond staan met het gezicht naar de hond toe. Doe 1 stap achteruit. Men kan daarbij de hand met de handpalm naar de hond gericht houden ten teken dat deze moet blijven. Na enige tijd haalt men een dummy uit de tas tevoorschijn, als de hond rustig blijft zitten stopt men de dummy weer terug in de tas. Ga weer naast de hond staan en beloon hem.

Komt de hond van zijn plaats als we de dummy uit de tas halen, stop dan direct de dummy weer terug in de tas en laat een duidelijk “foei” horen. Bij het zien van de dummy ontstond er een drang in de hond om de dummy te willen hebben. Die drang was sterker dan ons “blijf” commando. Omdat wij de dummy nog in onze hand hadden kon de hond zijn drang niet bevredigen. Zijn gedrag leverde geen succes op. Gedrag wat geen succes oplevert zal op den duur achterwege gelaten worden. Na verloop van tijd zal de hond door krijgen dat hij beter kan blijven zitten.

Proef op de som.

Als de hond goed blijft zitten bij het zien van de dummy, gaan we weer een stap verder. Wederom gaat men naar een rustig terrein. Zet de hond naast je neer, ga ervoor staan en loop ongeveer 5 meter achteruit. Haal de dummy tevoorschijn en werp deze omhoog. De plof op de grond is voor sommige honden genoeg aanleiding om “in te springen”. Pak dan meteen de dummy op, zodat de hond geen succes heeft met zijn gedrag. Als men de dummy ophoog werpt kijk dan direct naar de hond, dan ziet men de reactie van de hond als de dummy op de grond ploft. Merkt men dat hij van zijn plaats wil komen kan men direct “foei” roepen terwijl men de dummy oppakt. Noem nu geen naam van de hond. Mijn trainingswijze is enkel de naam van de hond te noemen als hij bij mij is of naar mij toe moet komen. Is de hond op afstand en ik wil hem een opdracht geven bijv. zoeken of afstoppen en ik noem daarbij eerst zijn naam bestaat de kans dat hij naar mij toe wil komen.

Blijft de hond bij de plof op de grond wel zitten kan men de dummy eens een halve meter links en rechts van ons zelf werpen.

Wanneer dit allemaal goed gaat kan men de dummy aan een lange lijn binden en tussen ons en de hond werpen. Ook nu weer geldt zodra de hond inspringt, direct de dummy naar ons toehalen en bestraffend “foei” roepen, zodat de hond geen succes heeft. Gaat de hond hierbij regelmatig in de fout doe dan een flinke stap terug in de opbouw.

Verleiding.

Is de hond inmiddels goed steady gaat men weer een stapje verder. Ga enkele meters vóór de hond staan. In de tas heeft men naast de dummy een pluk gras. Om een stevige pluk gras te krijgen kan men deze een keer dubbel vouwen en wat in elkaar draaien.

Pak nu duidelijk zichtbaar voor de hond de dummy uit de tas. Met de andere hand pakt men ongemerkt de pluk gras. Werp vervolgens de pluk gras een meter naast de hond. Mocht de hond inspringen zal er geen succes zijn, omdat de pluk gras uit elkaar valt. Had men i.p.v. een pluk gras de dummy geworpen en de hond was ingesprongen zou de hond eerder bij de dummy zijn dan wij. Waardoor de zorgvuldig opgebouwde steadiness training een flinke terugslag krijgt te verwerken. Want het inspringen leverde succes op! Maar als de hond ook bij de pluk gras blijft zitten, is men op de goede weg. Werp vervolgens een dummy naast de hond. Haal deze zelf op, laat in de opbouw de hond nooit deze dummy halen! Ook kan men een dummy over de hond heen gooien. Nu moet het vertouwen goed zijn. Als de dummy achter de hond ligt is hij altijd eerder bij de dummy dan wij. Ook deze dummy gaan wij weer zelf halen, terwijl de hond blijft zitten.

In de opbouw van deze steadiness training laat ik de hond uiteraard wel apporteren, door hem naast mij neer te zetten, in wat hoog gras schuin rechts van mij een dummy te werpen. Expres werp ik de dummy schuin rechts, wil de hond inspringen moet hij vóór mij langs en kan ik direct ingrijpen. Is hij steady mag hij na enkele tellen apporteren. Ook de wachttijd tussen het vallen en inzetten bouw ik op. In de praktijk kan het soms wel 10 minuten duren alvorens de hond wordt ingezet.

Is de hond goed steady ga dan eens met meerdere honden trainen. Ga enkele meters naast elkaar staan. Laat één van de voorjagers een dummy vóór ons werpen. Na enige tijd mag een andere hond de dummy halen. Nu is het belangrijk dat de hond eerst zijn naam hoort, zodat hij weet dat het commando voor hem bedoeld is.

Steadiness bestaat niet alleen uit blijven zitten.

De Meervoudige Apporteer Proeven en Workingtesten worden steeds drukker bezocht. Daar krijgt men met praktijk gerichte opdrachten te maken. In de praktijk kan men ook vóór de voet jagen waarbij men in linie door het veld loopt met de hond (los) naast ons. Hierbij kunnen helpers links en rechts in de linie onverwachts schieten en een dummy voor of achter ons werpen. Ook nu mag de hond pas gaan op ons commando. Ik leer mijn honden, wanneer we in linie lopen en er gebeurd iets, meteen te gaan zitten. Als de hond meteen gaat zitten weet ik dat hij steady is, dat geeft mij de gelegenheid mee te markeren. Honden die tegen het randje van inspringen aan zitten willen slecht tot moeilijk gaan zitten op zo’n moment. Men ziet dan ook de onrust in zo’n hond waarbij men slechts hoeft te kuchen en de hond is weg……De voorjager probeert met alle mogelijk moeite, zonder dat de keurmeester het merkt, de hond bij zich te houden. Van zelf meemarkeren is dan geen sprake. Ook het zien vertrekken van een andere hond is voor die honden aanleiding mee te gaan……

Tijdens de echte jacht kan het nog moeilijker zijn wat aangaat de steadiness. Wanneer een haas heel lang blijft liggen en vlak voor de loslopende hond vertrekt. Als de drijvers dan ook nog luid beginnen te schreeuwen dat er een haas is, en het haas wordt nog beschoten, vraagt men uiterste steadiness van een hond. En toch zijn er honden die die steadiness kunnen opbrengen, omdat de opbouw goed geweest is.

Tot slot.

Wanneer ik op post sta laat ik de hond meestal een halve meter schuin vóór mij zitten. De reglementen van de veldwedstrijden schrijven voor dat men de hond niet mag aanraken. Doet men dit toch kan dit tot diskwalificatie leiden. Zelfs het in de goede richting zetten van de hond moet gebeuren zonder dat men de hond aanraakt. Eind april keurde ik op de German Cup even boven Berlijn. Dit was de Duitse selectiewedstrijd voor de internationale workingtest. De Duitse reglementen schrijven voor dat de hond wordt gediskwalificeerd wanneer de voorjager de hond die in de wedstrijd zit aanraakt. Hiermee wil ik aangeven dat dit al is afgestemd op de internationale workingtest. Dit zal in de toekomst waarschijnlijk ook tijdens onze workingtesten en MAP’s doorgevoerd worden. Wanneer men de ambitie heeft aan dit soort wedstrijden mee te willen doen is het belangrijk dat de hond goed steady is. Met name voor de voorjagers die de ambitie hebben naar de veldwedstrijden te willen gaan raad ik aan ervoor te zorgen dat de hond goed steady is.

Veel succes!